2.27.2010

Forza Viola... e basta


Mijn trein vertrekt over precies 4 uur. Na twee maanden Firenze heb ik afscheid genomen van alle marktlui, rozenverkopers, dronken fleecetruidragende Amerikaanse exchange studenten, il Duomo, de Arno, de antieke kinderkopjes, David en Venus, ´che fai per un euro?', bisteccha fiorentina, foute clubs, mooie tenten en alle nieuwe vrienden. Ik ben een beetje treurig. Twee maanden was veel te kort in deze prachtige stad... ik ga het zo missen.

Morgen wacht Trastevere. Het thuis voor vier maanden. Nieuwe vrienden, verse koffie en mogelijk nog gruwelijkere verkeerstoestanden. Heerlijk.


Paars was je alleen lastig uit je kleren.

Firenze per sempre.

2.05.2010

Ik ben ziek en daar wil ik heel veel aandacht voor. Ik schrijf dit bericht van onder een dekentje op de bank. Moederziel ALLEEN thuis. Niemand die me zo uitgestrekt op de bank ziet liggen, omringd door zakdoekjes en theezakjes. Niemand om een vitamine C smoothie voor me te maken, mn kopje thee bij te vullen of om me uit te leggen hoe de tv werkt. Niemand die me even een aai over de bol geeft en me meewarig aankijkt. Niemand om te zien hóe ontzettend zielig ik vandaag ben.
Het is een familietrekje. Altijd ontzettend flink doen en als het één dagje (of een brakke ochtend) wat minder gaat, zijn het typisch de Meijers die de woonkamer of de keukentafel preferen om kwijnend en kermend te creperen in plaats van dat ze in stilte braaf uit zieken in de bescheidenheid van hun eigen bedje. Ik noem bijvoorbeeld een van mijn lievelingsbloedverwanten die als een vent 's nachts de clubtap leegzuipt om zich de volgende ochtend in de gemeenschappelijke ruimte te vlijen en zo'n zielig stemmetje op te zetten dat de huisjongsten haar theetjes zetten, de AB zoeken en sbs 6 opzetten, haar kussen op schudden en een nat washandje pakken. Typisch. Of een ander die met een beetje kiespijn theatraal een yoghurtje weglepelt tijdens het avondeten en luidkeels verkondigt dat het 'echt niks uitmaakt als jullie spareribs eten, vind ik echt niet erg! Ik ben dol op spareribs! Ik geniet als jullie genieten! Heus!' Schijnheldigheid, het is menselijk.
Meestal houdt de show vanzelf op bij onvoldoende publiek, maar mischien dat ik daarom als laatste schreeuw om aandacht het internet opzoek...

Mio dio, op een dag gaat die zelfkennis me nog parten spelen.

1.19.2010

Pitti aftermath


De Arno kabbelt rustig, de wolken zijn even weg, Nutella bij de liter. Dolce, dolce Italia. Firenze bevindt zich op het moment in de stilte tussen twee stormen. Alle fashionistas zijn net een weekend afgezwaaid na de beroemde Pitti fashionweek en de voorjaarsvakantiegangers staan te trappelen om na een lange reis vanuit Peking/Tokyo/het Westland Davids en Venus schoonheid in Galleria Uffizi op de kiek te zetten. Hè wat? Fahionweek? Ja, dolle toestand. Van barista tot bankdirecteur, iedereen was voor een kleine week gehuld in zijn mooiste Pradastappers. Designers, redacteuren, bobo's, assistentes, modellen -de echte show speelde zich af op straat. Het verschil met deze catwalk en de officiele is dat de frontrow hier wordt gedomineerd door duuzenden tienermeisjes die al voguend en heupwiegend lonken naar de bazen van het spel om in godesnaam ONTDEKT te worden. De bazen werpen op hun beurt één verticale blik vanachter hun Wayfarers en steken vervolgens de neus iets verder in de lucht. Klasse.
In de nachtclub gaat de dans door. The Palace was woensdagavond de verzamelplaats voor iedereen die nét niet belangrijk genoeg was voor het echte feestje, maar zich ondanks reuze gaaf voelde. Lees: modellen van onder de 1m70, beginnende 'think out of the box' ontwerpers, blaadjesmakers en Dj's die in de 90's the scene waren. Dolle pret voor ons toeristen (wij shaken wél op minimal!!!) want er is geen beter toneel dan Italia.

1.07.2010

No ho capito


Kaart ondersteboven in de hand, Gucci in de rug en honderden glimmende Vespa's om me heen. Lichte miezerregen, inzettende schemering, camera aan de pols en dan hebben we een verdwaalde toerist in Florence volgens het boekje. Te veel om je heen kijken en te weinig naar beneden is immers alleen theoretisch de bedoeling, praktisch gezien verdwaal je in het doolhof welk Firenze heet. Ik begon het net bijzonder onaangenaam te vinden om in mijn eentje gestrand te zijn in het onbekende toen ik plotseling door de mist een stem hoorde. Alsof het de Messias zelf was: 'Ken aai 'elp joe jang leedie? Joe siem so last, bella.' Toen ik me omdraaide bleek het niet de jonge Romeinse godheid te zien op wie ik hoopte maar keken twee waterige blauwe ogen vanonder een warrige en kalende grijze bos me aan. 'Euh... dove è il statione?' De ouwe baas lachte me vriendelijk uit en bood me aan me te begeleiden naar de plek waarvan ik ongeveer dacht nog de weg naar de stal te kunnen vinden. Gezellig keuvelend bereikten we het station, maar het gesprek over kunst, studeren en het leven was nog lang niet op. Caffè? Si. Achteraf is het eigenlijk heel vreemd om te bedenken hoeveel mensen aan totale vreemden toevertrouwen, vooral aan degenen waar je verder niks van moet behalve het gesprek zelf. De heftigste jeugdtrauma's, de meest bizarre affaires en de eerlijkste politiek incorrecte levensvisies rollen met een cappuccino achteloos over tafel. De oude baasjes zijn graag aan het woord, ik vind het leuker om te luisteren naar de levens die anderen al hebben gehad.
Het is nu dag 4. Ik kan inmiddels in het Italiaans aan de wereld verkondigen dat ik Miriam heet, 'dat ik het niet heb begrepen' en dat ik het leuk vond je te ontmoeten. Ook kan ik tellen en espresso bestellen. Toch een heuse verbetering. Tijdens de vlucht hadden Lise en ik het over onze voorkennis van de Italiaanse taal. Zij kon een hoop onbeleefde dingen over mensen hun moeders zeggen, ik 'permesso' en 'vattene'. Oftewel, laat me erlangs en rot op. We komen er wel. Samen met onze huisgenoot de L.A.-boy vormen we de enige drie niet Brazilianen van de klas. Onze prille vriendschap is hecht: we houden van spaghetti bolo, Mini Coopers en vanaf de bank gapen naar de Poolse versie van TMF die we ontvangen met onze flatscreentv met 1200 zenders waarvan 600 Arabische porno zijn. Het leven is hier rustig: la dolce vita.
Ciao!

1.03.2010

Veni

Lieve lezer,

Ik heb mijn koffers net dicht geritst. Het afscheidscomité ligt al op één oor en ik ben ontzettend nostalgisch 'dag visserkevis met de pet en de pijp' mijn huisje tot ziens aan het fluisteren. Morgen begint om 7.15 in de morgen het tweede deel van de reis, Italia. Rond een uur of 11.45 kom ik aan in Florence met mijn koene compagnon Lise. Het belooft mooi te worden en daarom kan ik nog niet slapen. Stiekem ben ik al wat avonturen verder maar paresseux als ik ben, is daar rien van opgeschreven. Dit jaar brengt wel goede voornemens met zich mee (de beste wensen nog daarvoor), of liever gezegd, een doel: Schrijven en daarmee, beschrijven. Van alle Vespa's die ik lik tot elk ijsje die ik start, van alle espresso's die ik proef tot elke pizza die ik leg, van elke bar tot elke bodem, van elk meesterwerk tot elk plein, van de Medici zoon tot de marktkoopman, het komt in odore en tricolore.

Mille baci,

Miriam

5.30.2009

6 uur ´s ochtends

De eerste stralen van wat een warme dag gaat worden. Het strand is nog leeg. De strandtenten zijn nog dicht. Zelfs voor alle surfers en schatzoekers ben ik al bij de waterlijn. Meeuwen zijn er wel. Schaterlachend vliegt er één een stukje mee. ‘Waarom hollen als er geen haast is?’ De andere meeuwen vinden me ook maar bizar. Tussen Pier en pier probeer ik het gekrijs te negeren, er wacht immers de volgende zondag een ander strand, die hoopt dat ik me bij het inchecken aan het voorgeschreven aantal kilo’s bagage heb gehouden. Één tik tegen de betonnen blokken bezegelt mijn tocht. Ik wil nog niet terug. Nog heel even naar zee kijken. Een visser op het piertje kijkt naar me, “heppie haas meissie? Twort veuls te maui weâh om je int sweet tu werreke.” Amen en gelijk heeft hij. De zon is al fel, zelfs onze Noordzee zou, als je een beetje knijpt, bijna schoon lijken. “Die kakkâhs auk...” roept de Scheveninger nog, eigenlijk meer tegen zichzelf dan tegen iets anders en stapt fluitend door naar z’n maten op de punt. Ik twijfel nog even of ik het echt zal doen, maar een meeuw heeft het zo rakelings op mijn hoofd gemunt, dat ik door mijn snoekduik al kniehoog in het water sta.
Het water is nog ijskoud, maar ik begrijp met de stap meer waar alle dichters en Bløf het over hebben. Schoenen in de hand, haren in de wind. Waarom zou je langs maar één kant van de waterlijn blijven lopen? Ik ben niet meer alleen op het strand, verderop staat een gelijkgestemde. Ogen op de kim en handen in de zij, wijdbeens tussen de golven. Een oude matroos. Op het zand staan twee klompen, met in ieder een grote grijze wollen sok. Een slordig hondje rent eromheen. Hij hoort het geklots links en ziet me aankomen. “Jonge juffâh.” zegt hij met een knik. “Matroos.’”flap ik eruit, voor ik me bedacht dat niet iedereen van grapjes houdt. De matroos kon er wel omlachen. Het slordige hondje rent de zee in om boos tegen een schuimvlok te keffen. “Ik had ook zo’n hondje, een kooiker is het toch?” “Goed gesien juffâh, maar ik nom ‘m Kreel.”
Eigenlijk komt de Pier veel te snel als je in poëtische vervoering voor het eerst sinds maanden de zee aanraakt. Er komen vanaf de boulevard joggers met de ochtend nog op het gezicht. Hoe kan je zo boos kijken als je zo’n uitzicht 90 graden naar rechts hebt? ‘Zouden zij de zee wel zien?’Lustrumjasjes van KZ, het horloge al om. Hebben vast haast.

Die kakkâhs auk.

4.28.2009

Vensterbank

‘Niet huilen, kleintje.’ Zei de bloem en aaide het witte hoofdje.‘Nou..nou…heel eerlijk is het anders niet hoor!’ stootte kleine lelie terug.Bloem slaakte een zucht. Het kon soms ook zo’n aansteller zijn.
‘Dan kun je wel gaan zitten zuchten maar wij zitten hier straks mooi alleen…helemaal alleen, met de poes. En dan ga jij zitten zuchten!’
Bloem sloot zijn ogen en dacht aan een prettig moment. Lelie begon weer zachtjes te snotteren. Het prettige moment mocht daarom niet baten. Bloem besloot nog even rustig tot tien te tellen en dan iets opbeurends te zeggen. Liever ginnegappen dan dat gejirrimiejir dacht hij zo.
Één..twee..drie..vier..vijf..zes..zeven..acht..negen..
‘TIEN!’loeide kleine lelie. ‘Heb je al een goeie grol of zal ik nog even wachten met dijenkletsen? Je bent ook zó óntzétténd voorspelbaar, bloem.’ Lelie keek triomfantelijk naar zijn grote vriend en gniffelde in zijn knuistje.
Bloem zuchtte.
‘Ha!’ brulde lelie. ‘Geef je het al op met zonnig doen? Accepteer het nou maar, we zijn gedoemd!’
‘Dan kan je nog wel een beetje gezellig doen.’ Zei bloem nuffig.
‘Nee natuurlijk niet. Heb je ooit gehoord van iemand die gezellig gedoemd geweest is? Gedoemd zijn doe je jankend of anders op z’n minst met een frons. Je bent soms ook zó dóm…’ zei lelie meewarig en gaf bloem zijn begrijpende, sympathiserende blik.
Dat deed het ‘m voor bloem en hij zette zijn bokkenpruik op. Lelie merkte het en zette om hem te pesten zijn lievelingsliedje in. ‘Bloem is chagrijnig, hi-ha-ho! Bloem is chagrijnig laaaalalalalala!’
Bloem wilde wel tot tien tellen maar hij deed het niet. Ook dacht hij niet nog drie keer na, maar gaf vastberaden en wel de pot van lelie zo’n rotzet dat het hele zaakje naar beneden donderde.
De laatste deunen van lelies wijsje verdwenen in de diepte en de pot zei krak.
Nu was bloem weer vrolijk. Hij sloot zijn ogen en dacht aan een prettig moment.